Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV1649

Datum uitspraak2005-11-29
Datum gepubliceerd2006-02-14
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers132311
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of moet worden geoordeeld dat zowel het statutair directeurschap als de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zijn beëindigd.


Uitspraak

Rechtbank Arnhem Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 132311 / KG ZA 05-616 Datum vonnis: 29 november 2005 Vonnis in kort geding in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HÄFELE NEDERLAND B.V., gevestigd te Apeldoorn, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, procureur mr. F.J. Boom, advocaat mr. J.J.M. Melissen te Apeldoorn, tegen [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde in conventie, eiser in reconventie, procureur mr. M.E. Bosman. Partijen worden hierna aangeduid als Häfele en [gedaagde]. Het verloop van de procedure Häfele heeft [gedaagde] ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. [gedaagde] heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen. [gedaagde] heeft tevens een eis in reconventie ingesteld, zoals neergelegd in de conclusie van de eis in reconventie. Häfele heeft geconcludeerd tot weigering van het in reconventie gevorderde. De advocaat van Häfele en de advocaat van [gedaagde] hebben de zaak bepleit, beiden overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotitie. Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht. Ten slotte is vonnis bepaald. De vaststaande feiten 1. [gedaagde] is op 15 april 1996 bij Häfele in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de functie van productmanager en tegen een salaris van laatstelijk € 4.840,- bruto per maand. In (artikel 14 van) de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de overeenkomst door beide partijen kan worden opgezegd, met inachtneming van een opzegtermijn van 12 maanden. 2. Per 1 januari 2000 is [gedaagde] benoemd tot statutair directeur van Häfele. Als tweede bestuurder is aangewezen mevrouw [betrokkene 1]. Zowel [gedaagde] als [betrokkene 1] zijn zelfstandig bevoegd. 3. Op verzoek van de enig aandeelhouder van Häfele, Häfele Holding GmbH te Nagold (Duitsland), heeft op 14 april 2005 een buitengewone vergadering van aandeelhouders plaatsgevonden (AVA). Als enig agendapunt is tijdens die vergadering aan de orde geweest de besluitvorming omtrent het ontslag van [gedaagde] als statutair directeur en als directeur-werknemer. [gedaagde], daartoe uitgenodigd bij brief van 7 april 2005, is op deze vergadering verschenen. Tijdens de vergadering heeft de AVA besloten [gedaagde] met onmiddellijke ingang te ontslaan. 4. Bij brief van 15 april 2005 heeft de raadsman van Häfele het ontslag van [gedaagde] als directeur bevestigd, onder gelijktijdige uiteenzetting van de ontslaggronden. Tevens is [gedaagde] daarbij verzocht de eigendommen van Häfele, waaronder een auto, een laptop en een tweetal mobiele telefoons, ter beschikking van Häfele te stellen. 5. Bij brieven van 20 april 2005 en 25 juli 2005 heeft [gedaagde] de nietigheid van het ontslag ingeroepen en doorbetaling van zijn salaris gevorderd. Daarbij heeft [gedaagde] zich beschikbaar gehouden de overeengekomen werkzaamheden te blijven verrichten. Voorts heeft [gedaagde] medegedeeld dat hij de aan hem ter beschikking gestelde zaken voorlopig onder zich houdt. 6. De doorbetaling van het loon heeft feitelijk plaatsgevonden tot 1 juli 2005. Nadien zijn door Häfele aan [gedaagde] geen betalingen meer gedaan. 7. Bij dagvaarding van 11 oktober 2005 heeft [gedaagde] Häfele in een bodemprocedure gedagvaard en samengevat gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat het ontslag nietig is dan wel (subsidiair) dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. De vorderingen In conventie 8. Häfele vordert, kort gezegd, [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van de hem in het kader zijn arbeidsovereenkomst in gebruik gegeven bedrijfswagen, laptop en mobiele telefoons, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. Voorts vordert Häfele [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding. 9. Aan haar vorderingen heeft Häfele ten grondslag gelegd dat [gedaagde] deze zaken zonder recht of titel gebruikt, nu het recht op gebruik van deze zaken is vervallen door de beëindiging van zijn statutair directeurschap respectievelijk zijn functie van directeurwerknemer. Häfele heeft – naar zij stelt – reeds hierom een spoedeisend belang bij beëindiging van dit wederrechtelijke gebruik. Bovendien zal de auto na de jaarwisseling aanzienlijk in waarde dalen, terwijl ook een verder gebruik van de auto de waarde daarvan zal beïnvloeden. 10. [gedaagde] heeft – behoudens ten aanzien van de gestelde spoedeisendheid van de vorderingen – gemotiveerd verweer gevoerd, welk verweer hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. In reconventie 11. [gedaagde] vordert primair dat Häfele wordt veroordeeld tot betaling aan hem van een voorschot op zijn salaris van € 4.840,- per maand, zulks vanaf 1 juli 2005 tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag alsmede te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Subsidiair vordert [gedaagde] betaling van de hiervoor bedoelde voorschotten totdat de arbeidsovereenkomst op 14 april 2006 rechtsgeldig zal zijn beëindigd. Meer subsidiair vordert [gedaagde] tot betaling van een voorschot ten titel van schadevergoeding ter grootte van 10 maandsalarissen. Tot slot vordert [gedaagde] om Häfele te veroordelen in de kosten van dit geding. 12. Häfele heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze vorderingen, waarop –voor zover nodig – hieronder zal worden ingegaan. De beoordeling van de vorderingen In conventie 13. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of met Häfele moet worden geoordeeld dat zowel het statutair directeurschap als de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zijn beëindigd, hetgeen door [gedaagde] wordt betwist. 14. [gedaagde] heeft zich in dit verband, samengevat, op het standpunt gesteld dat weliswaar in beginsel heeft te gelden dat een vennootschappelijk ontslagbesluit tevens tot gevolg heeft dat ook een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding, doch dat deze situatie zich in onderhavig geval niet voordoet nu het vennootschapsrechtelijke ontslag niet rechtsgeldig is gegeven. Meer in het bijzonder heeft [gedaagde] gesteld dat de AVA niet door de bestuurders – en derhalve niet rechtsgeldig – is bijeengeroepen, dat in de oproepingsbrief tot het bijwonen van de AVA geen ontslaggrond stond vermeld en dat hij voorts omtrent zijn ontslag niet is gehoord, zodat hij zich dientengevolge niet tegen zijn ontslag heeft kunnen verweren. Aldus is het door de AVA gegeven ontslag nietig c.q. vernietigbaar. Dit brengt mee – zo stelt [gedaagde] – dat de arbeidsovereenkomst onveranderd is blijven voortbestaan en hij niet is gehouden tot afgifte van het in conventie door Häfele gevorderde. Dat ingevolge het bepaalde in artikel 2:244, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) herstel van de arbeidsrechtelijke dienstbetrekking bij een vennootschapsrechtelijk ontslag niet mogelijk is, doet naar de mening van [gedaagde] aan het voorgaande niet af, nu – zo stelt [gedaagde] – deze bepaling slechts toepassing vindt indien sprake is van een rechtsgeldig vennootschapsrechtelijk ontslag, waarvan in dit geval geen sprake is. Voor zover echter al zou moeten worden geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd, dan heeft Häfele – zo stelt [gedaagde] – bij de door haar gedane opzegging ten onrechte een opzegtermijn van twee maanden in acht genomen, nu in de arbeidsovereenkomst is neergelegd dat een opzegtermijn van twaalf maanden heeft te gelden. Ook om die reden bestaat derhalve nog steeds een arbeidsovereenkomst, zodat afgifte van de gevorderde zaken niet aan de orde is. 15. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 16. Vastgesteld wordt dat de AVA bijeen is geroepen op verzoek van de enige aandeelhouder van Häfele, Häfele Holding GmbH en dat mevrouw [betrokkene 1], als zelfstandig bevoegd bestuurder, uitvoering heeft gegeven aan dit verzoek. Het betreft als zodanig derhalve een zuivere uitvoeringshandeling, welke door een (zelfstandig bevoegde) individuele bestuurder kan worden verricht zonder instemming van de overige bestuurders. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de omstandigheid dat het bijeenroepen van de AVA buiten [gedaagde] is omgegaan, dan ook niet als onregelmatig worden bestempeld, zodat dit niet aan de geldigheid van het ontslagbesluit in de weg staat. Het bepaalde in artikel 2:119 BW doet hieraan niet af. Overigens merkt de voorzieningenrechter nog op dat indien al zou moeten worden vastgesteld dat de AVA onbevoegdelijk is bijeengeroepen, dit niet aan de rechtsgeldigheid van de genomen besluiten in de weg staat, nu het gehele geplaatste kapitaal ter vergadering aanwezig of vertegenwoordigd was en het besluit – nu Häfele slechts één aandeelhouder heeft – per definitie met algemene stemmen is genomen. 17. Evenmin is relevant dat in de uitnodigingsbrief wel het ontslagvoornemen, maar niet de ontslaggronden zijn opgenomen. Het standpunt van [gedaagde] dat de uitnodiging – naast de tijdstip en de plaats van de vergadering – meer dient te bevatten dan de agendapunten vindt in zijn algemeenheid geen steun in het recht en kan niet als juist worden aanvaard. 18. Voor zover [gedaagde] nog heeft aangevoerd dat hij omtrent het voornemen om hem te ontslaan niet is gehoord, merkt de voorzieningenrechter op dat [gedaagde] ter zitting heeft gesteld dat hij voorafgaand aan de AVA door mevrouw [betrokkene 1] is benaderd ter ondertekening van een zogenoemd “Aufhebungsvertrag”. Hoewel hij hiermee niet heeft ingestemd, heeft hij – zo heeft hij ter zitting gesteld – daarbij aangegeven dat hij zich op voorhand niet tegen een ontslag zou verzetten daar inhoudelijk verweer toch geen zin zou hebben. Enkel heeft hij gevraagd naar de redenen van zijn ontslag, welke hem op dat moment niet zijn gegeven. Onder deze omstandigheden hoefde de AVA naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet te verwachten dat [gedaagde] op de vergadering (dan wel daaraan voorafgaand) alsnog uitvoerig verweer zou willen geven – [gedaagde] heeft zich ten aanzien van die vergadering ook niet in andere zin uitgelaten – zodat het ontbreken van een gelegenheid hiertoe niet aan de rechtsgeldigheid van het ontslag in de weg hoeft te staan. Daarbij tekent de voorzieningenrechter overigens aan dat ter zitting is gebleken dat partijen op 22 maart 2005 bijeen zijn geweest (derhalve kort voor de te houden AVA) en het op voorhand niet aannemelijk is dat tijdens die bijeenkomst in het geheel niet omtrent het ontslag van [gedaagde] is gesproken. 19. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding te oordelen dat het besluit van de AVA tot ontslag van [gedaagde] niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dit brengt mee dat per 14 april 2005 niet alleen met onmiddellijke ingang een einde is gekomen aan het statutair directeurschap van [gedaagde], doch eveneens per die datum de arbeidsverhouding tussen [gedaagde] en Häfele heeft opgehouden te bestaan. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2005 (Unidek), LJN AS2030 (NJ 2005,484) in welk arrest is bepaald dat een vennootschapsrechtelijk ontslag in beginsel tevens beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg heeft. 20. Ook zonder deze doorwerking van het vennootschapsrechtelijke ontslag dient evenwel te worden geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, nu de AVA op 14 april 2005 uitdrukkelijk heeft besloten [gedaagde] (tevens) met onmiddellijke ingang te ontslaan in zijn hoedanigheid van directeur-werknemer. Daaraan doet niet af dat Häfele, zoals door [gedaagde] gesteld, ten onrechte geen opzegtermijn van twaalf maanden in acht zou hebben genomen. Zoals hieronder bij de beoordeling van de vordering in reconventie nader zal worden overwogen, kan het niet in acht nemen van de opzegtermijn in dit geval tot schadeplichtigheid wegens onregelmatige opzegging leiden maar betekent dit niet dat de arbeidsovereenkomst nog moet worden geacht te bestaan. 21. Nu partijen in (artikel 14 van) de arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen dat [gedaagde] bij beëindiging van het dienstverband alle eigendommen van Häfele aan Häfele zal teruggeven, komt het gevorderde in conventie voor toewijzing in aanmerking en zal [gedaagde] worden veroordeeld tot teruggave van de bedrijfswagen, de laptop en de mobiele telefoons. De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om, zoals gevorderd, de veroordeling tot teruggave van de eigendommen van Häfele te versterken met een dwangsom, zij het dat deze dwangsom zal worden gematigd. 22. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] in de kosten van het geding in conventie worden veroordeeld. In reconventie 23. Voorop gesteld wordt dat voor toewijzing van een geldvordering binnen het kader van een kort geding in ieder geval de voorwaarde moet zijn vervuld dat het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk is. Dit is het geval als de vordering niet wordt bestreden of indien met voldoende mate van zekerheid is te verwachten dat de bodemrechter met verwerping van de gevoerde verweren de vordering zal toewijzen. Voorts moet uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist zijn en mag het risico van onmogelijkheid van terugbetaling -bij afweging van de belangen van partijen- niet aan toewijzing in de weg staan. In dit verband wordt het volgende overwogen. 24. Zoals hiervoor onder 19. reeds is overwogen, welke overweging de voorzieningenrechter in reconventie overneemt, heeft de arbeidsverhouding tussen [gedaagde] en Häfele per 14 april 2005 opgehouden te bestaan. De door [gedaagde] primair en subsidiair gevorderde doorbetaling van salaris kan reeds om die reden niet aan de orde zijn, zodat deze vorderingen dienen te worden afgewezen. Ten aanzien van de vordering van [gedaagde] tot betaling aan hem van een voorschot ten titel van schadevergoeding (ter grootte van tien maandsalarissen), overweegt de voorzieningenrechter het volgende. 25. Häfele heeft de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] eenzijdig en met onmiddellijke ingang opgezegd, waarbij als schadeloosstelling is betaald het loon ter hoogte van twee bruto-maandsalarissen. Daarbij heeft Häfele zich op het standpunt gesteld dat de door partijen in de arbeidsovereenkomst overeengekomen opzegtermijn van twaalf maanden in strijd is met het bepaalde in artikel 7:672, lid 6 BW, in welke bepaling is neergelegd dat een termijn van opzegging door de werknemer niet langer dan zes maanden mag zijn. Dit brengt mee – zo stelt Häfele – dat de contractuele opzegtermijn nietig is en dat moet worden aangesloten bij de wettelijk geldende opzegtermijn als bedoeld in artikel 7:672, tweede lid, aanhef en onder b, BW (twee maanden). 26. De voorzieningenrechter onderschrijft dit standpunt voorshands niet. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het bepaalde in artikel 7:672, lid 6 BW naar zijn voorlopig oordeel strekt tot bescherming van de werknemer en dat het niet aangaat dat een werkgever ten gunste van zichzelf van een voor een werknemer geldende opzegtermijn afwijkt. Zelfs als al zou moeten worden aangenomen dat het overeengekomen opzegbeding in strijd is met het bepaalde in artikel 7:672, lid 6 BW, zou dit niet leiden tot nietigheid maar tot vernietigbaarheid en zou, vanwege het bepaalde in artikel 3:40 BW, alleen de werknemer (hier: [gedaagde]) een beroep op die vernietigbaarheid kunnen doen. 27. Voorgaande brengt mee dat, conform hetgeen is neergelegd in de arbeidsovereenkomst, een opzegtermijn heeft te gelden van twaalf maanden. Nu Häfele de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang heeft opgezegd, is sprake van een onregelmatige opzegging als bedoeld in artikel 7:677 BW, welke leidt tot schadeplichtigheid. 28. Omtrent de hoogte van de schadevergoeding merkt de voorzieningenrechter op dat deze, ongeacht de werkelijke schade, in ieder geval bestaat uit een bedrag dat gelijk is aan het in geld vastgesteld loon voor de tijd dat de dienstbetrekking bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren (de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:680, eerste lid, BW ). Nu een regelmatige opzegging zou hebben geleid tot betaling van loon ter hoogte van twaalf maandsalarissen, bestaat aanleiding het in reconventie meer subsidiair gevorderde toe te wijzen en Häfele te veroordelen aan [gedaagde] te betalen een voorschot op de schadevergoeding ter hoogte van tien bruto maandsalarissen. 29. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Häfele in de kosten van dit geding in reconventie worden veroordeeld. De beslissing De voorzieningenrechter in conventie 1. Veroordeelt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan Häfele: a. onbeschadigd af te geven, de automobiel, BMW 530 D Automatic, kenteken [nummer], chassisnummer [nummer], onder gelijktijdige afgifte van alle autosleutels, autopapieren en alles wat tot de auto behoort; b. af te geven de laptop, merk Dell, type Latitude D800; c. af te geven het mobiele telefoontoestel merk Nokia, type 5140 RED en het mobiele telefoontoestel merk Motorola, type V3 Black; 2. bepaalt dat [gedaagde], in geval hij na betekening van dit vonnis in gebreke mocht blijven aan bovenstaande lastgeving te voldoen, aan Häfele een dwangsom betaalt van € 100,- per dag met een maximum van € 30.000,-. 3. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Häfele bepaald op € 816,- voor salaris procureur en € 329,60 voor verschotten; 4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. in reconventie 5. veroordeelt Häfele om aan [gedaagde] te voldoen een bedrag van € 48.400,-, zijnde de equivalent van tien bruto maandsalarissen; 6. veroordeelt Häfele in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald € 408,- voor salaris; 7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 8. weigert het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.A. van Hoof op 29 november 2005. de griffier de rechter